samenvatting :
|
De geschiedenis speelt zich af in het stadje Titipu in Japan, in de "vijftiende eeuw. Nanki-Poo, de zoon van de Mikado, moet met de hofdame Katisha trouwen. Omdat hij verliefd is op de lieftallige Yum-Yum, ontvlucht hij het hof. Vermomd als minstreel gaat hij naar Titipu om Yum-Yum op te zoeken. Yum-Yum is verloofd met haar voogd Ko-Ko, maar die is ter dood veroordeeld. Tot zijn ontsteltenis verneemt Nanki-Poo dat Ko-Ko gratie heeft gekregen en tot opperbeul is benoemd. Ko-Ko heeft van de Mikado de opdracht gekregen te zorgen dat er ook inderdaad iemand in Titipu wordt onthoofd. Wanneer Ko-Ko hoort dat Nanki-Poo zich uit liefdesverdriet het leven wil benemen, stelt hij hem voor vier weken op zijn kosten een goed leventje te leiden en zich daarna te laten onthoofden. Nanki-Poo gaat op dat voorstel in op voorwaarde dat hij met Yum-Yum mag trouwen. Omdat Ko-Ko beslist een slachtoffer moet hebben stemt hij toe, ofschoon hij weet dat hij daardoor zelf nooit meer met Yum-Yum in het huwelijk zal kunnen treden. Volgens oud gebruik wordt de vrouw van een onthoofde levend begraven! Onverwacht verschijnt de Mikado, in gezelschap van Katisha. Hij informeert bij Ko-Ko hoe de zaken ervoor staan. In het nauw gebracht vertelt Ko-Ko dat hij een zekere Nanki-Poo heeft onthoofd, niet wetend dat dàt de zoon van de Mikado is. Ko-Ko raakt in een moeilijk parket, want wie de zoon van de Mikado ombrengt, wacht een gruwelijke dood. Nanki-Poo is best bereid aan te tonen dat hij nog springlevend is, maar dan moet Ko-Ko eerst met Katisha trouwen, zodat er van die kant geen gevaar meer te duchten is. Katisha gaat op Ko-Ko's aanzoek in. Dus Nanki-Poo kan weer te voorschijn komen. En hij stelt zijn vader - die allang blij is dat zijn zoon nog leeft - Yum-Yum voor als zijn vrouw....
Eerste bedrijf > Een jonge minstreel, Mi-Ki Metsugitari, valt binnen in het paleis van Ko-Ko Otikoetura, een voormalige kleermaker, die sinds kort benoemd is tot opperbeul van de Japanse stad Tiki-Mal. Deze Ko-Ko staat op het punt te trouwen met zijn beeldschone pupil Njam-Njam. Maar ook Mi-Ki is verliefd op haar. Een jaar geleden hebben Njam-Njam en muzikant Mi-Ki elkaar ontmoet en het was op slag raak tussen die twee. Men Mi-Ki hoorde dat zijn geliefde verplicht was te trouwen met haar voogd Ko-Ko, verliet hij in grote verslagenheid de stad. Tot zijn vreugde heeft de jongeman nu echter vernomen dat Ko-Ko onthoofd zal worden. De keizer van Japan, de Mikado, had op lonken de doodstraf gesteld, maar Ko-Ko kon het lonken niet laten, zodoende. Als een haas komt Mi-Ki terug, in de hoop alsnog met Njam-Njam in het huwelijk te kunnen treden. Hij belandt bij een gezelschap van voorname edellieden onder wie de heren Usimeini Immunnaki en Isinihíro Isidáro. De laatste vertelt Mi-Ki uitvoerig het laatste nieuws: Ko-Ko heeft gratie verkregen en is zelfs benoemd tot opperbeul, tot algehele opluchting der burgerij; want deze nieuwbakken beul zal niemand wegens verboden gelonk kunnen onthoofden, daar hij dan toch eerst zichzelf zou moeten executeren. Nu maken we kennis met een zeer hooghartig en omkoopbaar personage, de heer Poe-Ha. Uit protest tegen de benoeming van een gewone kleermaker tot opperbeul, zijn de Japanse hoogwaardigheidsbekleders collectief afgetreden, maar Poe-Ha heeft niet geaarzeld al hun functies op zich te nemen. Slechts voor geld en mooie baantjes is dit heerschap gevoelig. De aanvalligheid van Njam-Njam en haar zusjes Moyumeishi en Ukupuki, die nu ten tonele komen, doet hem niets. Volgt een innige maar hopeloze liefdesscène tussen Mi-Ki en Njam-Njam. Plotseling blijkt, dat Mi-Ki helemaal geen muzikant is, maar zich als zodanig heeft vermond; in werkelijkheid is hij de enige zoon van de Mikado. Prins Mi-Ki is van het keizerlijk hof gevlucht om te ontkomen aan een opgedrongen huwelijk met een hofdame van gevorderde leeftijd, Eng-Tang genaamd.
Nauwelijks bekomen van deze verrassende gegevens, worden we geconfronteerd met de ellende van Ko-Ko. Er is namelijk een brief van de Mikado bezorgd: het heeft zijne majesteit verwonderd, dat er de afgelopen tijd geen terechtstellingen in Tiki-Mal hebben plaatsgevonden; daar moet onmiddellijk verandering in komen. Het is spijtig voor Ko-Ko, maar niemand blijkt bereid zich voor de goede zaak te laten onthoofden. Gelukkig loopt hij Mi-Ki tegen het lijf, die juist voornemens is zich op te hangen, uit liefdesverdriet. Na enige discussie komen Ko-Ko en Mi-Ki tot de volgende afspraak: Mi-Ki mag onmiddellijk in het huwelijk treden met Njam-Njam, maar de echtverbintenis zal slechts een maand duren. als die maand om is, wordt Mi-Ki plechtig onthoofd, waarna Ko-Ko alsnog met de weduwe Njam-Njam kan trouwen. Deze originele afspraak wordt aan het toegestroomde volk bekendgemaakt, en iedereen vindt het een uitstekende oplossing. De spontane feestvreugde wordt echter ruw verstoord door de komst van Eng-Tang, die heel Japan heeft afgereisd op zoek naar haar gevluchte aanbedene. Zij herkent Mi-Ki terstond, en eist hem voor zich op. Ukupuki deelt haar brutaal mee, dat ze geen schijn van kans heeft. Hierop geraakt Eng-Tang in alle staten van wanhoop en woede. Zij dreigt de ware identiteit van Mi-Ki te onthullen, maar op instigatie van Njam-Njam verhindert de menigte dat. Razend verlaat de hooggeplaatste dame het toneel om alles aan de Mikado te gaan vertellen.
Tweede bedrijf > Een stralende ochtend, de kersenbomen staan in bloei en Njam-Njam is de mooiste bruid van Japan. Al haar zusjes, tantes en vriendinnen vinden haar een plaatje. En Njam-Njam vindt het ook. Wat is ze mooi! Minder mooi is, dat haar bruidegom Mi-Ki binnen een maand zal worden onthoofd. En nog akeliger wordt alles, als Ko-Ko haar komt vertellen wat hij ontdekt heeft: als een getrouwde man voor de bijl moet, wordt zijn echtgenote, volgens het keizerlijk wetboek, levend begraven. Njam-Njam vindt dit geen verlokkelijk vooruitzicht. Ridderlijk haast Mi-Ki zich te verklaren dat hij Njam-Njam onder deze omstandigheden niet aan haar trouwbelofte wil binden. De consternatie wordt nog groter als het bericht komt dat de Mikado in aantocht is. Hij is benieuwd of er nu eindelijk eens iemand onthoofd wordt in Ti-Ki Mal. Ko-Ko is ten einde raad. Mi-Ki heeft medelijden met hem en biedt zijn hoofd aan; Ko-Ko mag het er nu meteen afhakken. Maar Ko-Ko heeft geen enkele oefening in het beulsambacht en kan het niet opbrengen. Gelukkig komt hij op het idee Poe-Ha om te kopen. Deze zet in de functie van Rijkslijkschouwer zijn handtekening onder een officieel document, dat verklaart dat Mi-Ki onthoofd is, en Mi-Ki vertrekt naar het buitenland. De Mikado arriveert, met Eng-Tang, en vraagt hoe het staat met het executiebeleid. IJverig geven Ko-Ko, Ukupuki en Poe-Ha een gedetailleerd ooggetuigenverslag van de onthoofding, hetgeen de Mikado doet watertanden. Maar opeens ontdekt Eng-Tang dat het de zoon van de Mikado is geweest die voor de bijl is gegaan; haar grote liefde! Ze is ontroostbaar. De Mikado begrijpt dat men niet kon weten dat men de kroonprins onder het mes had, maar wet blijft wet: op het ombrengen van de troonopvolger staat onderdompeling in kokende olie. Dit evenement zal 's middags plaatsgrijpen. Zijne majesteit vindt het heel zielig voor het drietal, maar er is niets aan te doen. Hij gaat vervolgens kalm lunchen, Ko-Ko, Ukupuki en Poe-Ha in paniek achterlatend. Er is nu nog maar één oplossing: Ko-Ko moet met Eng-Tang trouwen, want pas dan kan Mi-Ki weer rustig in het land der levenden terugkeren. Ook Ko-Ko ziet geen andere uitweg. Hij zoekt de treurende dame op en weet een aanzoek over zijn lippen te krijgen. De aanvankelijke bedenkingen van de hofdame smelten weg, wanneer Ko-Ko een hartverscheurende ballade zingt over een pimpelmees die uit liefdesverdriet zelfmoord pleegde. Eng-Tang geeft Ko-Ko het jawoord. Op haar voorspraak verleent de Mikado gratie aan het drietal dat voor Mi-Ki's onthoofding verantwoordelijk is. Dan duikt Mi-Ki weer op met zijn jonge bruid. Eng-Tang constateert dat Ko-Ko haar bedrogen heeft en ze gaat hem te lijf; waarmee hij alvast een voorproefje krijgt van hetgeen hem in het huwelijk te wachten staat. De Mikado kijkt ook raar op, maar Ko-Ko praat alles recht. Zo valt er uiteindelijk geen enkel hoofd, alleen het doek.
Arthur Sullivan, 13 mei 1842 - 22 november 1900 > Arthur Sullivan leidde een duur leventje. Hij was dikwijls in het zuiden van Frankrijk en hij ging graag naar het Casino van Monte Carlo, met als gevolg dat hij regelmatig gedwongen was weer een nieuwe operette te schrijven om wat geld te verdienen. Eigenlijk had hij zich liever aan het componeren van "serieuze" muziek gewijd. Ook zijn vrienden, en zelfs koningin Victoria, trachtten hem er steeds toe te bewegen opera's en oratoria te schrijven. Maar of dat geld in het laatje zou brengen was maar de vraag, terwijl de operettes die hij op tekst van William Schwenck Gilbert componeerde, de kassa wèl deden rinkelen. Wat er gebeurd zou zijn, wanneer Sullivan géén speler was geweest, valt natuurlijk niet met zekerheid te zeggen, aldus Frederic Lloyd in 1968. Hijzelf zou dan geen "general manager" van de D'Oyly Carte Opera Company zijn geworden, omdat dat gezelschap geen reden van bestaan zou hebben gehad. Tot eind 1961, toen het copyright verviel, heeft het "officiële" Gilbert & Sullivan-ensemble het alleen opvoeringsrecht van de operettes voor het beroepstoneel gehad. Maar ook daarna is het doorgegaan met het opvoeren van de Gilbert & Sullivan operettes. Het "tehuis" van het gezelschap is het Savoy Theatre dat op 10 oktober 1881 met een opvoering van Patience werd geopend. Het was een voor die tijd zeer modern gebouw èn het was het eerste theater ter wereld met elektrisch licht! Frederic Lloyd memoreerde de vele succesvolle voorstellingen die er in het Savoy Theatre van Gilbert & Sullivan-operettes zijn gegeven, zowel tijdens het leven van het populaire tweetal als daarna, tot in onze dagen toe. Hij herinnerde o.a. aan het "galaseizoen 1961/1962" dat, voor zover dat tenminste nodig was, duidelijk bewees dat wat Sullivan componeerde om "weer eens naar het casino te kunnen gaan ", méér dan een halve eeuw na zijn dood nog niets van zijn aantrekkelijkheid had verloren.
William Schwenck Gilbert, 18 november 1836 - 29 mei 1911 > De relatie tussen Gilbert en Sullivan, die samen al acht operettes hadden gemaakt, was na het matige succes van Princess Ida ernstig bekoeld. Sullivan wilde een serieuze opera schrijven en gaf Gilbert te kennen geen behoefte meer te hebben aan zijn verhalen over elfjes en tovenaars. Op een ochtend in maart 1884 ijsbeerde de ongelukkige Gilbert in zijn werkkamer heen en weer, op zoek naar inspiratie voor een nieuw werk dat niet door Sullivan zou worden afgewezen. Plotseling viel een Japans zwaard van de muur. Toen wist de schrijver in welke exotische omgeving hij zijn nieuwe satire op de Britse bureaucratie het beste kon plaatsen. Hij nodigde Sullivan uit om samen met hem een bezoek te brengen aan een spectaculaire Japanse tentoonstelling die in Londen werd gehouden en korte tijd later werd The Mikado geboren. Gilbert schreef een bruisende komedie vol grappige voorvallen en aanstekelijke liedteksten die door Sullivan werden voorzien van niet minder aanstekelijke muziek. Het werk werd een absolute hit en de operette veroverde binnen de kortste tijd de hele wereld.
|